Vrije vluchtwegen in woongebouwen:
een kleine moeite met grote impact

De fatale flatbrand in Arnhem staat bij veel mensen nog op het netvlies. In de nieuwjaarsnacht ontstond brand in de entreehal van een woongebouw, die tevens de enige vluchtweg van het gebouw vormde. Wat begon als een relatief kleine brand, groeide razendsnel uit tot een levensgevaarlijke situatie. De vluchtweg naar buiten werd onbruikbaar, waardoor bewoners geen kant meer op konden.

Deze gebeurtenis heeft niet alleen diepe indruk gemaakt, maar ook geleid tot hernieuwde aandacht voor iets wat eigenlijk vanzelfsprekend zou moeten zijn: vrije en veilige vluchtwegen in woongebouwen. Daarnaast heeft de gebeurtenis geleid tot aanpassingen in de bouwregelgeving.

vb&t Brandveiligheid merkt dat er inmiddels streng wordt gehandhaafd op deze nieuwe regels. Brandveiligheid in woongebouwen staat momenteel weer nadrukkelijk in de belangstelling. De lessen uit Arnhem blijven actueel en worden steeds vaker meegenomen in beleid, toezicht en beheer. Daarom lichten we hieronder toe wat de regels zijn en waarom deze zo belangrijk zijn.

De plek waar het mis kan gaan

In veel appartementencomplexen delen bewoners dezelfde routes naar buiten: de galerij, het trappenhuis of de centrale hal. Dit zijn de zogenoemde gemeenschappelijke vluchtwegen. Juist daar ging het in Arnhem mis. In de entreehal stond een bankstel dat daar tijdelijk was neergezet. Toen dit in brand vloog, ontstond er binnen korte tijd veel hitte en giftige rook. De brand bevond zich precies op de enige route naar buiten.

Dit maakt direct duidelijk waarom ontvluchting door deze ruimtes zo kritisch is. Een vluchtweg is geen gewone ruimte, maar de plek waar je op moet kunnen vertrouwen dat deze veilig is als het erop aankomt.

Wat zegt het Bbl hierover?

Om dit soort situaties te voorkomen, zijn in het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) specifieke regels opgenomen. Artikel 6.15a en 6.23a richten zich op het vrijhouden van vluchtwegen. Belangrijk hierbij is dat deze regels specifiek gelden voor gemeenschappelijke vluchtwegen in woongebouwen. Het gaat dus om gebouwen met meerdere woningen en de gedeelde routes die bewoners gebruiken om het gebouw veilig te verlaten. Voor vluchtwegen binnen woningen of in woonvoorzieningen gelden andere regels.

Artikel 6.15a verbiedt het plaatsen van brandbare materialen in deze gemeenschappelijke vluchtwegen. De regelgeving is hierin zeer strikt: in principe zijn alleen een klein schilderijtje en een deurmat van maximaal een halve vierkante meter toegestaan. Alle andere brandbare materialen zijn niet toegestaan, zoals meubels, kartonnen dozen, afval, houten decoratie of andere vormen van opslag.

Daarnaast schrijft artikel 6.23a voor dat de minimale doorgangsbreedte van de vluchtweg altijd vrij moet blijven. Dit betekent dat ook objecten die de doorgang versmallen niet zijn toegestaan, zoals fietsen, scooters, kinderwagens of rolcontainers.

Van gemak naar risico

Hoewel deze regels logisch lijken, zien we in de praktijk dat gemeenschappelijke ruimtes regelmatig anders worden gebruikt. Ze veranderen geleidelijk in opslagplekken of in plekken waar bewoners elkaar ontmoeten, compleet met gezellige inrichtingselementen en aankleding. Een fiets die “even” in de hal staat, een kastje dat tijdelijk op de galerij wordt geplaatst of een bank die nog afgevoerd moet worden, het zijn herkenbare situaties in veel woongebouwen. Juist daarin schuilt het risico. Wat begint als een praktische oplossing, kan in een noodsituatie een obstakel vormen of zelfs een brandbron worden.

De brand in Arnhem laat zien hoe snel dat kan gaan. Het bankstel in de hal zorgde niet alleen voor brand, maar ook voor een enorme rookontwikkeling. Binnen korte tijd werd de vluchtweg volledig onbruikbaar. Rook is daarbij vaak nog gevaarlijker dan vuur: het verspreidt zich snel en maakt oriënteren en vluchten vrijwel onmogelijk.

Wat betekent dit voor bewoners?

Voor bewoners van een appartementencomplex, en zeker in gebouwen waar een VvE actief wordt beheerd, betekent dit dat brandveiligheid niet alleen een technische of wettelijke kwestie is, maar vooral ook een kwestie van gedrag. Het vrijhouden van vluchtwegen begint bij dagelijkse keuzes: niets neerzetten “voor later”, geen spullen tijdelijk opslaan in het trappenhuis en alert zijn op situaties die mogelijk onveilig zijn. Daarbij gaat het niet alleen om de eigen veiligheid, maar ook om die van buren. In een woongebouw ben je in zekere zin afhankelijk van elkaar. Eén obstakel of brandbaar object kan gevolgen hebben voor iedereen.

Aandacht voor dit onderwerp

De kern van de les uit Arnhem is helder: de uitgangspunten op papier zijn vaak goed geregeld, maar de praktijk moet daarop aansluiten. Zoals de Onderzoeksraad concludeerde, wordt een veilige vluchtroute vaak als vanzelfsprekend gezien, terwijl dat in werkelijkheid niet altijd het geval is. Juist daarom is er momenteel extra aandacht voor het vrijhouden van vluchtwegen, niet alleen vanuit wetgeving, maar ook vanuit beheerders, VvE’s en bewoners zelf. Een woongebouw is een gedeelde omgeving, en dat betekent ook een gedeelde verantwoordelijkheid.

Vrije vluchtwegen lijken misschien een detail in het dagelijks gebruik van een gebouw, maar in een noodsituatie zijn ze van levensbelang. De gebeurtenissen in Arnhem laten zien dat het mis kan gaan op het moment dat je het niet verwacht.

Actief beheer en toezicht

Om invulling te geven aan de zorgplicht die een eigenaar heeft, heeft Amvest vb&t Brandveiligheid opdracht gegeven om periodieke veiligheidscontroles uit te voeren in haar appartementencomplexen. Een inspecteur van vb&t Brandveiligheid loopt maandelijks de gezamenlijke vluchtwegen door om te controleren of de regels worden nageleefd. Wanneer na verloop van tijd blijkt dat de vluchtwegen structureel vrij blijven, wordt de frequentie teruggebracht naar eenmaal per kwartaal. Op deze manier houdt Amvest grip op de veiligheid van haar bewoners en wordt actief gestuurd op een veilige woonomgeving.

De boodschap is daarmee eenvoudig, maar essentieel:
Houd de gemeenschappelijke vluchtwegen vrij. Altijd.